maandag 8 april 2013

Theorie 6: Taalgericht vakonderwijs

Formuleer tips ter verbetering van de volgende vragen:


1.       Som de 5 elementen van het reliëf voor onze eigen leefruimte op en omcirkel het reliëfelement dat je niet kan waarnemen op een kaart.
Tips:
Ø  Splits de zin op in twee aparte zinnen.
Ø  Ik weet niet of een zin op zichzelf moet kunnen staan, maar zelfs als je deze zin in twee splitst, blijft het wat onduidelijk: over welk reliëf in welke leefruimte gaat het?


2.       Vergelijk realisme en naturalisme.
Ø  Vergelijk in wat? Ook deze zin kan niet op zichzelf staan en kadert duidelijk in een bepaalde context. Toch blijft het zoeken naar wat er precies wordt bedoeld.
Ø  Bovendien lijkt het me een meerwaarde om deze vraag veel meer te specifiëren in de richting van het gewenste antwoord: gaat het over het vergelijken van de omschrijvingen, van de technieken, van de schilders, …?

3.       Bereken de som van de binnenhoeken van vierhoek abcd. Verklaar.
Ø  Het is niet echt duidelijk wat wordt bedoeld met ‘verklaar’. Is het de bedoeling om de verschillende stappen op te sommen tijdens het berekenen? Indien ja, dan moet het zo gevraagd worden.

4.       De …         is een lijst met verklaring van de symbolen van een kaart.
Ø  Actiever formuleren is veel directer en duidelijker: de … verklaart de symbolen op een kaart.

5.       Welke beschaving was voor de Romeinen toonaangevend?
Ø  Het woord ‘beschaving’ en ‘toonaangevend’ zijn moeilijke woorden.


6.       Aan welke condities moeten de arbeiders voldoen?
Ø  Het woord ‘condities’ vervangen door ‘voorwaarden’ of en ander woord dat meer gepast is voor de context van de vraag. Het kan evengoed gaan over de veiligheidsmaatregelen waarmee de arbeiders moeten rekening houden.

7.       Wat is de functie van… ?
Ø  Waarvoor wordt .. gebruikt? Of: Hoe wordt .. gebruikt?


8.       Benoem de drie zuilenorden die de Romeinen toepasten en omcirkel diegene die de voorkeur genoot van de Romeinen.
Ø  Zin opsplitsen in twee aparte zinnen.
Ø  Het woord ‘zuilenorden’ is onduidelijk. En het verband met ‘toepassen’ is al helemaal zoek.
Ø  ‘Diegene’ wijst naar een bepaald woord. Beter is om het woord letterlijk te gebruiken.


9.       Waar of niet waar?
Ø  Deze vraag moet voorafgegaan worden door een concrete stelling en kan niet op zichzelf staan. Eventueel te combineren met een visueel hulpmiddel zoals kruisjes zetten bij een van de twee.

10.   Tenzij je een annulatieverzekering hebt afgesloten, zal je in geval van ziekte de volledige reissom moeten betalen.
Ø  Samengestelde zin die ik zou opsplitsen in twee afzonderlijke zinnen om de duidelijkheid te vergroten.
Ø  Te moeilijk geformuleerd: ik moet de zin twee keer lezen om het te begrijpen, laat staan leerlingen uit PAV.
Ø  Je moet omgekeerd denken bij deze zin, en dat verbetert zeker niet de begrijpbaarheid van de zin.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten