zondag 19 oktober 2014

LEV - Evaluatie hoofdstuk 3: bezoldiging in het onderwijs

Ik ben al mijn hele leven werkzaam in de socio-culturele sector waar het loon wordt bepaald door de cao van de sector dmv loonbarema's. Ik kan perfect weten hoeveel ik zal verdienen als ik x-aantal jaren dienstancienniteit heb.


In een van mijn vorige jobs gold de regel van 'leeftijdsancienniteit', dwz dat je meer verdiende naarmate je ouder was. Dat wilde ook zeggen dat ik als beginnende, maar oudere medewerker meer verdiende dan mijn jongere collega die er al enkele jaren werkte. Een niet zo rechtvaardig systeem, want iemand die er al enkele jaren werkt heeft meer ervaring dan iemand die er pas begint te werken. Toch verdiende ik meer, gewoon omdat ik ouder was. Een Estse collega vertelde me dat de hoogte van haar loon ieder jaar opnieuw werd onderhandeld, gebaseerd op haar competenties, know how en de manier waarop ze haar functie invulde. Dat komt al meer in de buurt van wat Jef Staes de 3Dverloning noemt. Ik ga niet verder in op het artikel van Jef Staes omdat ik enkel de rechterpagina's in het document kan lezen, en niet de andere pagina's, waardoor het geheel verwarrend is. Daarom concentreer ik me op het artikel van Sarah De Gieter en 'een hoog loon is niet alles'.

Ancienniteit meerekenen als zij-instromer vind ik niet meer dan correct: ik breng per slot van rekening heel wat (niet-schoolse) ervaring binnen in de school en dit mag gehonoreerd worden.
Aan de andere kant, evaluatie van je prestaties en opgedane competenties is een heel andere manier van denken, maar lijkt me, zeker in het onderwijs, een uitdagende manier om je loon te verdienen. Maar dit geldt evenzeer in de socio-culturele sector. Sarah De Gieter heeft leraren en verpleegkundigen bevraagd, maar haar onderzoek wb beloning is zeker ook van toepassing in de socio-culturele sector.


Als leraar zou ik de hoogte van mijn loon zeker belangrijk vinden, maar ik ben er ook zeker van dat een hoog loon mij niet in het onderwijs zou houden. Zoals Sarah De Gieter aangeeft is een leuke en aangename werkomgeving stimulerend om in het onderwijs, of eender welke sector, aan de slag te blijven: een aangename werksfeer, collegialiteit, een inspirerende directeur doen veel meer dan de hoogte van het loon. En hier spreek ik uit ervaring. Het is zoals in het artikel (een hoog loon is niet alles) wordt gesteld, dat je emotioneel verbinden met een organisatie, of school in dit geval, en je trots voelen op de school, stimulerender werkt dan ook hoog loon. Een job met een hoog loon, maar zonder de inspirerende omgeving, zal mij in ieder geval niet lang stimuleren.
Ik heb mijn stage gedaan in twee BSO scholen.De sfeer in de ene school was veel positiever dan in de andere school en dit had zijn weerslag op hoezeer ik me op mijn gemak voelde en mijn 'plaats innam' als leerkracht. De school dit ik als positief ervoer, was een school met een heel goed contact met mijn stagebegeleidster: we zaten op dezelfde golflengte. Nochtans was dit een school waar de directie nogal 'onzichtbaar' was, in tegenstelling tot de andere school. In school nummer 2 was de directeur zeer zichtbaar aanwezig in de lerarenkamer, maar was het contact met mijn stagebegeleidster een ietsje minder.

Op dit ogenblik heb ik een job met zeer veel autonomie, veel vakantie, veel waardering zowel vanuit de directie als de collega's, op fietsafstand van mijn huis, veel opleidingsmogelijkheden, maar met een heel middelmatig loon. Het is niet het loon dat me stimuleert, maar wel de andere elementen die ervoor zorgen dat ik (voorlopig toch) bij deze werkgever wil blijven. Ik kan me voorstellen dat dit bij een school niet anders is. Vooral de autonomie die ik heb in het uitoefenen van mijn job, zorgt ervoor dat ik veel vertrouwen ervaar vanuit mijn leidinggevenden en dit zorgt ervoor dat ik me gewaardeerd voel. Dit zorgt ervoor dat ik me gelukkig voel op mijn werk, als een vis in het water, en dat doet meer dan de hoogte van een loon.
Daarnaast speelt ook het element mee van me 'uitgedaagd te voelen' in mijn job: mijn grenzen verleggen, het onderste uit de kan halen, mijn competenties uitpuren zijn elementen die ervoor zorgen dat ik deze job wil blijven doen. Ik heb al wat jobervaring achter de rug en ik ken mezelf goed genoeg om te weten dat deze elementen ervoor zorgen dat ik een job een lange tijd zal blijven doen. Mocht dit er niet zijn, dan zal ik snel van job veranderen. In het onderwijs is dit niet anders.

Toch wil ik meegeven dat de hoogte van het loon misschien niet doorslaggevend is, maar ook niet onbelangrijk gezien de levensfase waarin ik zit: huis afbetalen, twee opgroeiende kinderen, enz.

Hoe tevreden ben ik met psychologische beloningen (in %)
10-03.jpg

Dus hoe tevreden ben ik met psychologische beloningen: zeer tevreden in mijn huidige job en dit zal in het onderwijs niet anders zijn.







maandag 6 oktober 2014

LEV hoofdstuk 2: het statuut van de lesgever

Als zij-instromer heb ik pas op latere leeftijd besloten om te kiezen voor een job als leerkracht door deze opleiding te volgen. Maar dit brengt wel enkele elementen met zich mee die niet direct te verzoenen zijn met het hele systeem van benoemingen in het onderwijs. Op deze leeftijd heb ik al een gezin met schoolgaande kinderen, een huis dat moet afbetaald worden, kortom: een min of meer vaste situatie die toch ook een regelmaat aan inkomen vereist. Bovendien zit ik in de helft van mijn arbeidsloopbaan, wat wil zeggen dat ik nog 20 jaar werkzaam dien te zijn. Dat is nog een heleboel, maar in ieder geval minder dan een dertigjarige. Wat ik eigenlijk wil zeggen, is ik rekening moet houden met het vervolg van mijn arbeidsloopbaan en me geen al te gekke sprongen kan permitteren: er moet afbetaald worden en het pensioen is halverwege in aantocht.



Als ik hoor en lees hoe moeilijk het is voor beginnende leerkrachten om toch min of meer werk te vinden in het onderwijs, zakt me bij voorbaat de moed in de schoenen. Elchardus schetst in zijn uitgebreid artikel de motivatie maar ook de drempels van het beroep van leerkracht, en een van de hoofdelementen is toch wel de beroepsonzekerheid en de verschillende statuten waar men doorheen moet om een vaste aanstelling te verkrijgen. Dit wetende ben ik al op voorhand ontmoedigd. Ik ben niet iemand die vele risico’s durft nemen als het op inkomen aankomt: ik hou nogal vast aan een vaste job met een vast inkomen, dit is een van de belangrijkste elementen die me weerhouden om de sprong naar het onderwijs te wagen.

Daarom kan ik de oproep van Jef Boden, en de daarbij horende reacties onderaan het artikel (http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/opinieblog/opinie/141005-opinie-jefboden-statuut-standard)
om de vaste benoeming in het onderwijs af te schaffen volgen, in die zin dat het hele systeem wat mij betreft mag omgevormd worden naar systemen die in andere sectoren worden gehanteerd, zoals ieder jaar een functioneringsgesprek met jaarlijkse evaluatie, of coaching en mentoring van beginnende leerkrachten, waar ook Elchardus voor pleit. Hierbij aansluitend begrijp ik het pleidooi van Jochems om expertise te verwerven als leerkracht, wat eigenlijk in contradictie is met het hele omslachtige systeem om vast benoemd te geraken. Vastbenoemd geraken heeft hoegenaamd niets te maken met je eigen expertise, know how, goesting en dies meer.  Het heeft enkel te maken met het aantal dienstjaren, een onwaarschijnlijk archaïsch systeem dat eigenlijk niet meer te verantwoorden is in deze tijd. Compleet achterhaald.

Een zij-instromer kan een onwaarschijnlijke meerwaarde binnenbrengen in de school: iemand die van buiten de schoolcultuur komt, kan met een kritisch oog heel wat veranderingen en verbeteringen voorstellen. Een zij-instromer heeft eerst heel wat andere ervaring achter de kiezen, ervaring die een meerwaarde kan betekenen voor de job. Daarom vind ik dat het meerekenen van anciënniteit een waardering betekent voor deze ervaring, maar waar waarschijnlijk weinig kans toe is met het huidige besparingsdiscours.



Het pijnlijke gebrek aan coaching en mentoring tijdens de job is voor mij nog een pijnpunt van het onderwijs. In mijn loopbaan is dit altijd een evidentie geweest, terwijl je in het onderwijs, bij wijze van spreken, je plan moet trekken. Tijdens mijn stage was er zelf een beginnende leerkracht die aan mij feedback vroeg van de les die ik bij haar observeerde omdat ze van niemand anders feedback kon krijgen over haar klasmanagement. Hierbij verwijs ik graag naar de alinea die het artikel van Jochems besluit: “Dat maakt aannemelijk dat er binnen vrijwel elke school docenten zijn die effectieve strategieën gevonden hebben om bepaalde problemen op te lossen. Deze achterhalen en delen met collega’s zou wel eens een basis kunnen vormen voor een effectieve benadering van professionele ontwikkeling van docenten”. Een waarheid als een koe.

On the job training zou echt een mogelijkheid moeten zijn, zeker voor het onderwijs waar jongeren worden gevormd! Elchardus en co verwijzen naar landen als Nieuw-Zeeland waar beginnende leerkrachten een % van hun lesuren worden vrijgesteld voor begeleiding en advies. Hiermee kan je de kwaliteit van het onderwijs opkrikken en sneller expertise opdoen, bijna een ‘must’ als het gaat over professionele ontwikkeling waar Jochems naar verwijst.

Andere elementen die Elchardus aanhaalt in zijn artikel, anders dan de instapmoeilijkheden van beginnende leerkrachten, zijn o.a. de werkdruk en administratieve rompslomp. Dit zijn m.i. elementen die steeds meer in eender welke job zich manifesteren: rekening houdend met de jobs in mijn arbeidsloopbaan is er zeker een stijging te merken van deze elementen, no escape possible, dus ook niet in het onderwijs.



De psychische belasting aan het houden van discipline in de klas is natuurlijk een ander paar mouwen, dit m.i. redelijk uniek aan de job, maar de belasting uit zich dan op andere terreinen zoals bv het halen van deadline, het moeten samenwerken met mensen van verschillend pluimage. Ook dit kan zorgen voor extra psychische belasting in jobs buiten het onderwijs.


Kortom: elk nadeel heb zijn voordeel, zei Johan Cruijff, en het is niet anders in het onderwijs. Toch ben ik van mening dat het hele benoemingssysteem mag afgeschaft worden en vervangen door andere, ‘gezondere’ systemen die hun nut meermaals bewezen hebben. 

vrijdag 3 oktober 2014

LEV hoofdstuk 1: Mijn vakbekwaamheid

Met mijn diploma van Maatschappelijk Werk (professionele bachelor) kan ik eigenlijk bedroevend weinig vakken geven. 
·         “MAVO” en “PAV” zijn de te verwachten vakken.  Ik weet ongeveer wat ze inhouden, maar wat ik er van weet, spreekt me niet zo aan.
·         “NT2” daarentegen, spreekt me veel meer aan, gezien de internationale en interculturele context waarin dit vak zicht naar alle waarschijnlijkheid afspeelt.

Maatschappelijk Vorming (VE):
Omdat ik enkel voor het vak “MAVO” een “vereiste bekwaamheid heb, heb ik het vak even gegoogeld, en ik heb het volgende recente (2012) document gevonden:  “Maatschappelijke Vorming – tweede graad BSO, Leerplan Secundair Onderwijs van het VVKSO (Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs) [1]. Ik moet toegeven dat dit een zeer interessant document is met leerplandoelstellingen, leerinhouden, pedagogische-didactische wenken (!) en didactische middelen. Een document dat mij gecharmeerd heeft en mijn aanvankelijke vooroordelen/tegenzin heeft overwonnen. “Onbekend is onbemind” wordt gezegd, en dat moet ik deemoedig toegeven.
Ik wil nog even toelichten waarom dit document me over de streep heeft gehaald.
Ø  Bij de beschrijving van de beginsituatie wordt op een realistische en begripvolle (niet stigmatiserende) leerlingenkenmerken beschreven, herkenbaar vanuit mijn praktijkervaring. Een beschrijving die ik waardeer, gezien de vele vooroordelen en verkeerde veronderstellingen naar de doelgroep van BSO toe.
Ø  In  “consequenties naar de leraar MAVO” worden principes beschreven waar ik volledig achter sta:
·         de leerlingen leren kennen en aanvaarden om begeleidend en onderwijzend met hen op weg te gaan;
·         haalbare en duidelijke doelen bij onderwijs en begeleiding vooropstellen;
·         een eenvoudige, voor de leerlingen begrijpbare taal hanteren;
·         lesstrategieën aanwenden die uitgaan van de beginsituatie van de leerlingen;
·         de lesbetrokkenheid van de leerlingen alle kansen geven;
·         goede studiegewoonten stimuleren die deze leerlingen ten dienste kunnen staan;
·         aanzetten geven tot het zelfstandig verwerken van de leerstof aangepast aan deze leerlingen: in de eerste
·         plaats in de klas zelf, eventueel ook thuis.
Ø  “Mavo is dus meer dan vorming tot een aantal sociale deugden zoals dienstvaardigheid, eerlijkheid en naastenliefde (bemerking: oké, het is dan ook het Katholieke onderwijsnet  …)  Ze beperkt zich niet alleen tot vorming in sociale relaties. In elk van de hierboven genoemde aspecten wil Mavo het nodige inzicht bevorderen, bepaalde houdingen ontwikkelen en de nodige vaardigheden bijbrengen”. Ook dit komt overeen met mijn mening over onderwijs: onderwijs is niet alleen een leerproces, het bereidt de leerling op voor op het leven zelf.
Ø  In “Algemene pedagogisch-didactische wenken” worden een aantal uitgangspunten beschreven waar MAVO volgens VVKSO  voor staat: zoals bv. MAVO = waarde opvoeding,  geïntegreerd werken, coördinatie met andere vakken, doe-lessen, selectie van doelen, audiovisuele middelen, afwisseling van werkvormen en tot slot: zo individueel mogelijk werken. Allemaal elementen waarin ik me kan vinden en die ik in mijn praktijkervaring heb nagestreefd.
Ø  Bemerking: uiteraard ben ik me ervan bewust dat dit een tekst is van een zeer welbepaalde zuil, en vanuit die optiek is deze visie een gekleurde visie. Om deze reden heb ik eenzelfde document gelezen, maar dan van het GO! Onderwijs[2]. Hierin zijn dezelfde uitgangspunten te vinden, weliswaar met een iets andere visie (geen levensbeschouwelijk uitgangspunt), maar bv wel met een uitgebreide lijst van “minimale materiele vereisten”  (p. 22) als een wereldkaart, een tijdsbalk, krantenknipsels, enz. wat een interessante aanvulling geeft om mijn beeld van dit vak te vervolledigen.


Project algemene vakken (VO)
Het vak PAV is mij volgslagen onbekend, vandaar toch de moeite om het nader te onderzoeken. Na enig zoekwerk vind ik het volgende:
“Tot op heden is het onderwijssysteem nog altijd gebaseerd op het traditioneel vakgerichte model ondanks de vele stromingen die al jaren integrale opvoeding en onderwijs propageren. De hedendaagse maatschappij verwacht van de school dat zij de totale persoon opleidt en opvoedt. In ons onderwijs bestaan er al initiatieven van vakoverstijgend werken, zoals de geïntegreerde proef, vakoverschrijdende eindtermen en ontwikkelingsdoelen en occasionele projecten, die echter de traditionele vakkensplitsing nog niet doorbreken. PAV in het beroepsonderwijs doet dat wel en bouwt die integratie structureel en systematisch in de wekelijkse lessentabel in.”[3]
“Het is helemaal niet vanzelfsprekend om basisvaardigheden aangeleerd in het ene vak aan te wenden in een ander vak. Met PAV verwerken de leerlingen de bundeling van levensechte en herkenbare inhouden als één geheel, zoals zij ook de realiteit van het leven als één geheel ervaren, in een logische samenhang. Dit aangepaste leerpakket is gericht op de concrete toepassing in het dagelijkse leven van de jongeren. Op die manier verhoogt hun interesse voor en hun inzicht in mens en maatschappij, zodat zij beter uitgroeien tot mondige, weerbare, vaardige en geëngageerde deelnemers aan de samenleving. Zij verwerven aldus de nodige vaardigheden.”[4]
“In PAV krijgt een leraar in hoge mate de mogelijkheid om te werken aan een vertrouwensrelatie met de leerlingen. Het geloof in hun leraar als mens en dit vertrouwen in hun leraar-opvoeder als ankerfiguur is voor beroepsleerlingen een absolute voorwaarde om gemotiveerd te werken aan hun eigen leerproces. Het 'verborgen leerplan' van deze jongeren is doorweven met een grote hoeveelheid niet-cognitieve, morele en gevoelsmatige aspecten die zij aangesproken willen voelen vooraleer bij hen sprake kan zijn van interesse, motivatie en engagement. Een dergelijke sfeer is meteen een vruchtbare voedingsbodem voor zelfconceptverheldering en ethische waardevorming.”[5]
Ik kom zelf uit de sector van het jeugdwelzijnswerk (emanciperend werken met maatschappelijk kwetsbare jongeren) en kan me helemaal  in deze visie vinden. Onderwijs is niet enkel het overdragen van kennis.  Mijn overtuiging is dat het onderwijs de jongeren moet voorbereiden op het leven zelf, het leven in de huidige maatschappij. Bovenstaande uitgangspunten van PAV sluiten zeker aan bij mijn ervaring en overtuiging.
Als ik wat meer in detail wil onderzoeken wat PAV concreet is (eindtermen en ontwikkelingsdoelen) op de site van het VVSKO, dan geraak ik er echt niet uit. Zoveel verschillende leerplannen: bv VVSKO  heeft een klepper van meer dan 200 blz over PAV voor alle studierichtingen, aangevuld met een deel 2 “met integratie moderne vreemde talen” [6] en dan ben ik het noorden helemaal kwijt. Daarom beperk ik me tot het leerplan van het G!O,  verteerbaar  [7], met duidelijke leerplandoelstellingen en pedagogisch-didactische wenken.
Toch lijkt dit vak me niet zo evident, omdat het gaat over vanalles, zonder een duidelijk profiel. Daarom is het m.i. absoluut noodzakelijk om de nodige aansluiting te vinden met de andere (meer specifieke) vakken door middel van vakgroepoverleg. Bv cluster basisrekenvaardigheden met de regel van drie, percentberekeningen, enz. Onderdelen van PAV waar ik met geen mogelijkheid aan heb gedacht en die toch enige opfrissing nodig hebben!


Maar hoe zit het dan met de tewerkstelling in de sector van het onderwijs?

Als we de laatste berichten over tewerkstelling in het onderwijs mogen geloven, ziet het er niet al te rooskleurig uit. Besparingen alom.


 Daarom is het des te interessanter om de bundel "arbeidsmarkt rapport prognose 2011-2015" te lezen. Op p 22 staat dat er een overschot van 265 lk zal zijn: "Door het effect van de vergrijzing in het lerarenkorps neem in het SO grotere proporties aan dan in het basisonderwijs". Een hoopvol bericht. Bovendien blijkt dat wie de SLO heeft gevolgd bredere perspectieven heeft op de arbeidsmarkt dan diegenen die de geïntegreerde opleiding hebben gevolgd, omdat een SLO bovenop een bestaand diploma komt, in tegenstelling tot de geïntegreerde opleiding waar dit het enige diploma is. (p 35).

Op p 42 staat bovendien de bevinding dat er een tekort aan leerkrachten zal zijn voor het vak PAV, waarbij de vraag groter is dan het aanbod. Ik volg de opleiding volgens een wat oneigenlijk parcours en heb al stage gedaan (PAV en MAVO) in twee beroepsscholen (Edugo Glorieux en OLVI) en ik heb de indruk dat er geen tekort is aan PAV leerkrachten, integendeel: de directie krijgt vele kandidaten, nog voor er een vacature is.

Toch eindigt het rapport niet zo positief over de arbeidsperspectieven in onderwijsland: 
"Concreet zullen er 9.335 nieuwe leerkrachten mogelijk beschikbaar zijn voor het secundair onderwijs terwijl er een vraag is van 4.970 (4.607 nieuwe betrekkingen + 363 niet-ingevulde plaatsen in de leerkrachtendatabank). "
"Maken we de optelsom van vraag en aanbod, dan betekent dit dat er in de komende vier jaar (2011 – 2015) een overschot zal zijn van 4.365 leraren. Deze stijging ten opzichte van de vorige jaren kan vooral verklaard worden door een daling van de vraag. Deze daling van de vraag kan toegeschreven worden aan de pensioenmaatregelen, waardoor leerkrachten langer aan de slag moeten blijven en aan de demografische evolutie van het leerlingenaantal. "

Ik ben van mening dat deze conclusies enigszins achterhaald zijn, aangezien de gevolgen van de crisis zich momenteel ten volle manifesteren en de prognose absoluut niet positief is: niet enkel te wijten aan pensioenmaatregelen en een dalend leerlingenaantal, maar ook de besparingen zullen het onderwijslandschap waarschijnlijk voorgoed veranderen, denk maar aan het voorstel om één uur meer les te geven voor hetzelfde loon, wat een besparing betekent van 1800 leerkrachten ....